In het whitepaper “Weerstand tegen verandering ontrafeld” worden 12 vormen van weerstand beschreven. Als we deze toepassen op de weerstand die ambtenaren hebben tegen burgerparticipatie, dan zien we:

Cognitieve weerstand (gebaseerd op denken, analyse en overtuiging)

  1. Twijfels over effectiviteit
    – De verandering wordt niet als zinvol, nuttig of succesvol ingeschat.
    “Dit gaat toch niets oplossen.”
    Gezien het gebrek aan capaciteit, ruimte en kennis bij ambtenaren zijn er grote twijfels over de effectiviteit van burgerparticipatie.
  2. Gebrek aan persoonlijke relevantie
    – De verandering wordt als niet belangrijk of passend voor de betrokkene gezien.
    “Wat heb ik hier eigenlijk aan?”
    Als participatie weinig nuttigs oplevert en vooral gedoe, vertraging en een clash met de doelen van de organisatie levert het mij alleen maar negatiefs op.
  3. Ethische bezwaren
    – De verandering wordt als immoreel, ongepast of in strijd met waarden ervaren.
    “Dit druist in tegen mijn principes.”
    Burgerparticipatie als concept is prima, zelfs gewenst, maar op deze manier is het niet goed.
  4. Twijfels over de bekwaamheid van de veranderaar
    – Men vertrouwt de expertise of bedoelingen van de initiatiefnemer niet.
    “Wie denken ze wel niet dat ze zijn?”
    De wens tot burgerparticipatie komt van de wetgever. Maar zij hebben geen idee wat het in de praktijk voor problemen oplevert.
  5. Voorkeur voor de huidige situatie
    – Men is tevreden met hoe het nu gaat en ziet geen reden om te veranderen.
    “Waarom iets veranderen dat goed werkt?”
    Wij weten echt wel wat er speelt en wat goed is voor de burgers.
  6. Vereiste moeite
    – De verandering wordt als te tijdrovend of belastend ervaren.
    “Ik heb hier geen ruimte of energie voor.”
    Er is geen capaciteit voor, geen tijd, geen geld. Of er wordt zeer veel geld voor vrijgemaakt, maar zonder veel extra nieuwe inzichten waar we iets mee kunnen of gaan doen.
  7. Onzekerheid over eigen competenties
    – Men twijfelt of men de verandering zelf wel aankan.
    “Wat als ik faal?”
    De organisatie – en ik – hebben onvoldoende kennis en ervaring hiervoor. Of tijd. Er moeten mensen van buiten voor ingehuurd worden, wat meer geld en tijd kost.

Emotionele weerstand (gebaseerd op gevoel, onzekerheid en sociale dynamiek)

  1. Beperking van autonomie
    – Men voelt zich beknot in vrijheid en zelfbeschikking.
    “Laat mij zelf kiezen hoe ik het doe.”
    De organisatie – en ik – heeft een oplossing voor het probleem, daar is burgerparticipatie niet voor nodig.
  2. Gebrek aan betrokkenheid
    – Men voelt zich niet gehoord of meegenomen in het proces.
    “Er is niet naar mij geluisterd.”

  3. Entitlement (rechtvaardigheidsgevoel)
    – Men voelt zich ongelijk of oneerlijk behandeld.
    “Waarom moet ik dit wel en anderen niet?”

  4. Zorgen over sociale consequenties
    – Men is bang voor negatieve reacties van anderen.
    “Wat zullen mensen van mij denken?”
    Burgerparticipatie is met veel en vaak kritische burgers praten. Ik zit er echt niet op te wachten om allerlei fouten uit het verleden en beperkingen naar de toekomst toe te moeten uitleggen waar burgers niet blij van worden. En ik van alles de schuld krijg.
  5. Angst voor het onbekende
    – Onzekerheid over de toekomst roept spanning of angst op.
    “Ik weet niet waar dit heen gaat.”
    Zo lang er geen “best practice” is en het experimenteren is, blijft het afwachten wat de uitkomsten ervan zijn.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *